Bijdrage Joep van der Linden Politiek café Groenekan 24 februari 2014  versie 3. 

Burgerparticipatie gaat  over de verhouding tussen overheid  en burgers en raakt  het ideaal van de civiele samenleving (civil society). Dit ideaal wordt dan gesteld tegenover een dominante staat en verwijst naar een sameleving, welke zichzelf reguleert en bestuurt door vrijwillige verbanden van burgers en vooral de overheid kritisch volgen.

In  recente discussies krijgt civil society steeds meer de betekenis van “zorgzame samenleving”, maar vooral ook  een stellingname welke de eigen verantwoordelijk- heid van burgers en minder overheid  benadrukt.

Deze laatste opvatting  is in ieder geval terug te vinden in de proclamatie afgelopen jaar van de overgang van het model van de verzorgingsstaat  naar een participatie staat. In de loop van de tijd is in het verschijnsel burgerparticipatie een verschuiving van accent te onderkennen, namelijk van achteraf vragen naar de mening van burgers/inwoners  (de inspraak) naar een accent op meepraten of zelfs meebeslissen  bij vormgeving van beleid (zgn. Interactieve beleidsvorming) naar accent op het ontplooien van eigen initiatief en activiteiten door inwoners zelf, zoals bijvoorbeeld terug te vinden in recente verordening Wmo of ook in aktiviteiten in Groenekan. Het gaat in dit model van sociale burgerparticipatie  om eigen initiatief: het zelf in actie komen van burgers, opdat zij hun straat, hun buurt of dorp weer van henzelf ervaren. Eigen verantwoordelijkheid  in de trant van “als je een schone straat wil , ga dan zelf vegen”.

De relatie tot de gemeente  (lokale overheid) moet dan veranderen  in een partnerschap waarin burgers en gemeente samen collectieve goederen produceren  die de buurt of dorp leefbaar maken.Dit concept van burgerparticipatie is niet buitenissig, maar staat als de “ideale burger” centraal bij de laatste kabinetten (Balkenende en Rutte). Deze is in staat  zelf zaken te initieren en te organiseren en zit niet op hulp van de overheid  te wachten. Het huidige kabinet beschouwt  de zogenaamde “doe-democratie” als vergelijkbaar initiatief.

Op niveau van gemeenten is de oproep aan burgers te horen om meer verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen leefomgeving. Motieven voor een dergelijke oproep zijn o.m. het bevorderen van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van burgers maar ook bezuinigingen, die samenhangen met de overheveling van taken naar gemeenten, zoals de drie grote decenralisaties (Jeugdzorg, Werk naar vermogen , Wmo). Deze vergen veel capaciteit van gemeenten. Het is duidelijk dat gemeente-bestuurders zich erop  bezinnen welke taken de burgers zelf kunnen oppakken. Zij gaan er van uit, dat de eigen verantwoordelijkheid van de burgers leidt tot minder gemeentelijke uitgaven. Belangrijke vragen: hoe worden bewoners verantwoordelijk gemaakt voor medeburgers en leefomgeving;  hoe krijgt dit streven gestalte in beleid? Belangrijk is of de orientatie op burgers wel doorgedrongen is op niveaus van beleid en uitvoering. Onderzoek duidt erop dat burgerparticipatie niet echt van de grond lijkt te komen, omdat de (gemeentelijke) overheid geen echte zeggenschap aan burgers overdraagt.

Stelling:
Bent u van mening dat bij overdracht van gewichtige verantwoordelijkheden naar burgers ook de bijbehorende middelen en bevoegdheden bij burgers terecht moeten komen?


Agenda

Volgende vergaderingen 2017

19 juni 2017 (agenda is nu beschikbaar)

 

Links